Het recht op vrijheid van gedachte
Artikel 9 EVRM beschermt het recht op vrijheid van gedachte, geweten, en godsdienst. Anders dan het recht op godsdienst en geweten, bleef het recht op vrijheid van gedachte lange tijd onderbelicht – zowel in de literatuur als de rechtspraak van het EHRM. Sinds enkele jaren neemt de wetenschappelijke aandacht voor dit recht toe, mede naar aanleiding van opkomende technologieën die diep kunnen ingrijpen in mentale toestanden, zoals gedachten, gevoelens, en intenties. In deze bijdrage bespreken we verschillende interpretaties van het recht op vrijheid van gedachte en verkennen we de mogelijke implicaties daarvan. Dit doen we aan de hand van drie typen mentale beïnvloeding: (1) dwangmedicatie, (2) algoritmische beïnvloeding via sociale media, en (3) neuromodulatie in de strafrechtspleging. Daarbij kijken we niet alleen naar de reikwijdte van het recht op vrijheid van gedachte, maar reflecteren we ook kritisch op het absolute karakter ervan.
Authors
- Sjors Ligthart
- Naomi Van de Pol
Publication Details
- Journal
- Nederlands Tijdschrift voor de Mensenrechten
- Published
- 2026-03-31
- DOI
- https://doi.org/10.54195/ntm.26381
- Primary Topic
- Dutch Social and Cultural Studies
- Type
- article
- Field-Weighted Citation Impact
- 0.00